De Hel, Vervaardigd in IsraŽl
Kawther Salam's Dagboek

Oktober 2001
Woensdag 3 oktober
Donderdag 4 oktober
Vrijdag 5 oktober
Zaterdag 6 oktober
Zondag 7 oktober
Maandag 8 oktober
Dinsdag 9 en woensdag 10 oktober
Vrijdag 12 oktober
Zaterdag 13 oktober
Dinsdag 16 oktober
Woensdag 17 oktober
Vrijdag 19 oktober
Zaterdag 20 oktober
Dinsdag 23 oktober
Zondag 28 oktober
Maandag 29 oktober
Dinsdag 30 oktober
Woensdag 31 oktober













Vandaag, 3 oktober 2001

Ik keerde van IsraŽl terug naar mijn flat in Hebron.
Ik trof er soldaten aan die mij de weg versperden. Ze verhinderden mij deze flat binnen te gaan terwijl ze naar mij riepen "Dana International; heks, teef, lelijke vrouw! Rot op van hier!" Na een lange woordenwisseling ging ik mijn flat binnen, maar de officier bedreigde mij en zei: "Vandaag ga je je flat binnen, maar ik ga niet naar je klachten luisteren als mijn soldaten op het dak jou gaan pesten." Nadat ik de deur had opengedaan vond ik de vloer voor de keuken bedekt met glas en vijf Coca-Cola-flessen vol met urine. Een doos chocolaatjes lag ook verspreid over de vloer. Ik vond er stenen en meer dan 30 scherpe kogels, twee soldatenmessen en de vloer bedekt met zand en soldatenrotzooi. Al deze beschadigingen waren toegebracht terwijl ik 3 dagen op vakantie was in IsraŽl. Tot nu toe bleef ik zonder water, zonder elektriciteit, zonder telefoon en wonend midden in de troep. Dit zijn de instructies van de militaire commandant van Hebron, en de koude oorlog tegen mij. Ik vraag me af of dit nu deel uitmaakt van Israel's veiligheidsmaatregelen, of niet.










Vandaag, 4 oktober 2001
Ik besloot te ontsnappen van de herrie van de IDF-soldaten {IDF = Israeli Defense Forces, het leger van Israel - Vert.}
Ik bracht de nacht door bij mijn buren. Daar douche ik ook, sinds de soldaten mijn watertoevoer hebben afgesneden.
Om 7.00 uur 's-morgens keerde ik terug naar mijn flat. De soldaten hadden de vredesstickers die ik de dag tevoren geplakt had, eraf gehaald.
Toen ze mij de sleutels in de deur hoorden steken begonnen ze te schreeuwen:
"Machshefa"! (Heks), "Mechoeret"! (Lelijkerd) "Ben je er?"
Ik gaf geen antwoord. De soldaten praatten per radio met een andere post en schreeuwden: "vier, vijf, de heks is terug!". De andere post antwoordde met blaffende stemmen, zoals honden en ezels.
Ze bleven vanaf het dak naar mij staren en schreeuwen, en zand naar mij gooien.





7 oktober 2001.

Het is moeilijk voor mij om mijn gevoelens uit te drukken nadat ik een vluchtelinge werd van mijn flat in Hebron als gevolg van het vernielzuchtige gedrag en misbruik door de IDF soldaten die waren gestationeerd op het dak van mijn flat. En het is nu nog moeilijker voor mij om het verschil te zien tussen de gedragingen van de IsraŽlische soldaten en de gedragingen van mijn IsraŽlische vrienden die mij veiligheid en vertrouwen gaven in hun huizen.

Sinds een paar dagen woon ik bij mijn IsraŽlische vrienden, bij ťťn gezin. We eten, drinken, maken plezier, praten over ernstige zaken, gaan naar zee, maken het huis schoon, ontmoeten vrienden - ik ben een deel van hun dagelijks leven.

Ik slaap in Romi's bed, midden tussen haar speelgoed. Ze vroeg mij om in hun huis te blijven. (Misschien omdat ze het leuk vindt om bij haar ouders te slapen terwijl ik in haar bed slaap). Ik voel dat de IsraŽlische soldaten ook problemen veroorzaken in Tel Aviv, want mijn vrienden maken zich bezorgd om mij.

Ik weet dat de krijgswet tijdens bezetting heel naar is, zonder morele waarden en menselijk medegevoel - maar de legercommandant "Dror Weinberg" is de ergste die ik ken sinds ik journalist werd, want hij vindt het goed dat zijn soldaten zich als beesten gedragen temidden van onschuldige burgers en Palestijnen onder zijn gezag. 

(Is hij er niet de schuld van als een van zijn soldaten in Hebron handschoenen droeg, om van de straat paardenstront bij elkaar te schrapen en dat in de gezichten van Palestijnse mannen te smeren, die tevoren werden bevolen uit hun auto's te stappen en op het trottoir te gaan zitten).







8 oktober 2001

Vandaag kreeg ik vele telefoontjes van Hebronitische mensen die zich afvroegen waar ik was?

Mijn uitgever van de krant belde mij en zei dat ik heel gauw moest terugkomen. Sinds een paar dagen hoorden de Palestijnen  mijn TV nieuwsprogramma niet meer. De burgers van Hebron vertelden mij over het dagelijkse leed en problemen die door de IsraŽlische soldaten werden veroorzaakt in het gebied H2 van de stad Hebron onder IsraŽlische controle. Ze vroegen mij om mijn beloften na te komen, om een vrouwen-vredesdemonstratie te leiden tegen de praktijken van de IDF-soldaten - de verbale seksuele pesterijen en het geweld tegen hen tijdens het uitgaansverbod - ze zeiden dat ze op mijn terugkomst wachtten.

Ik begrijp dat er 35.000 Hebronitische burgers zijn die leven onder erbarmelijke omstandigheden, ernstig aangetast door psychische en lichamelijke druk veroorzaakt door de collectieve straf sinds 297 dagen.

570 uitzonderlijk arme gezinnen wonen in de oude markt te Hebron en zien de hongerdood tegemoet veroorzaakt door de legercommandant Dror Weinberg, om politieke redenen: De legercommandant Weinberg heeft bevolen dat de Islamitische liefdadigheidsinstelling "Wakff" moet stoppen met het verstrekken van gratis dagelijkse maaltijden aan deze arme gezinnen, waarvan ze voor hun leven afhankelijk zijn.

De Palestijnen - toen ik hun informeerde over mijn voorbereiding om aan een programma mee te werken in een universiteit in het buitenland - waren geschokt. Vanuit hun gezichtspunt zou ik moeten doorgaan met mijn journalistieke werk in Hebron tijdens de Intifada. Ik begrijp wat het betekent om mijn land en mijn volk te  verlaten in deze tijd, maar ik begrijp ook dat het voor mij onmogelijk is om voort te leven onder "verlichte" bezetting.

Als journalist lijd ik niet alleen - zoals alle andere burgers - onder de dagelijkse "kleine" pesterijen, maar ook lijd ik doordat ik mij bewust ben van het lijden van vele, vele mensen van mijn soort.






9 en 10 oktober 2001
Ik schrijf dit namens Kawther Salam, omdat sindsdien de IDF Abu-Sneine opnieuw hebben bezet.

Ze hebben mogelijk meer telefoonlijnen afgesloten. Misschien is het de "Shabac", Kawther weet niet dat ik haar beloofd heb deze paragraaf voor haar dagboek te schrijven, daar ze mij door de telefoon dicteerde: "Toen ik gisteren in Hebron aankwam werd mij gevraagd mijn  tassen te openen en mijn spullen op de stoep uit te spreiden. Ik weigerde en de soldaten zeiden dat ze mijn tassen zullen opblazen, dus nam ik er alles uit en spreidde het uit op de stoep. Er was speelgoed bij dat ik voor mijn buren had meegebracht, dus begonnen de soldaten ermee te spelen en ze gebruikten ook mijn parfum.

Na het gebruikelijke gevloek lieten ze mij gaan.

In de avond wachtte mij een leuke verassing. Twee vriendelijke soldaten die zich beleefd gedroegen en zelfs zeiden dat ze zich schaamden voor hun vrienden. Maar īs-nachts kwamen de gewone soldaten weer terug met het gebruikelijke lawaai, vloeken en pesterijen.

In de morgen hief de IDF het uitgaansverbod op waaronder Hebron gedurende vele dagen was, maar ze verdeelden Hebron in kleine "ghetto's", dus we konden niet van het ene "ghetto" naar een ander gaan, zodoende kon je oude mannen en vrouwen over hekken en muurtjes zien klimmen en door achtertuinen lopen teneinde zich van de ene plaats naar de andere te begeven.

Zo zag Hebron er vanmorgen uit. Veel mensen die over hekken klommen en door tuinen liepen met manden en dozen.

Ik wil alleen maar weg uit Hebron. Weg uit deze plaats zo gauw mogelijk".








Vrijdag 12 oktober 2001

Hoe kan ik de legercommandanten die in Hebron gelegerd zijn - Dror Weinberg, kolonel Amon Cohen en luitenant Hertzel - leren om racisme, discriminatie en intolerantie te overwinnen?

 

Weinig mensen in de wereld van deze tijd ontkennen openlijk dat mensen worden geboren met mensenrechten. Deze officieren zijn in feite nog slachtoffers, want ze behoren tot een speciale groep die gelooft dat zij meer rechten hebben vanwege hun godsdienst of etnische afkomst.

Yoav, een IsraŽlische vriend van mij, zei: "Weinberg is een erg religieuze joodse soldaat.

Ik herinner mij hem nog toen we samen in het leger dienden 15 jaar geleden. Hij draagt altijd een keppel {klein plat petje boven op het hoofd dat door streng-orthodoxe joden wordt gedragen - Vert.} op zijn  hoofd en drukt zichzelf uit vanuit een radicaal gezichtspunt".

 

Ik ben uitzonderlijk bezorgd over de snelle verslechtering van de leefomstandigheden van de Palestijnse mensen in Hebron (uitgaansverbod, gesloten scholen, uithongering en lijden van arme mensen in de oude stad, het lijden van patiŽnten die het ziekenhuis niet kunnen bereiken, het vervoer van mensen van hun huizen die dan als legerposten worden gebruikt, enz.). Dit alles vanwege de aanwezigheid van 400 joodse kolonisten in Hebron, waarvan er 200 hier in de Yeshiva studeren maar niet in de nederzettingen wonen.

Ik beschouw het gedrag van de IsraŽlische kolonisten en soldaten in de stad Hebron als een voortdurende daad van agressie en seksuele pesterij tegenover de vrouwen en het Palestijnse volk.

 

Laten we eraan denken dat niemand wordt geboren als racist, of om onmenselijk te zijn.

Soldaten leren racisme en slechte manieren van de commandanten, van de regering, en van de "bezetting".

De regering verpest de soldaten in deze tijd en verpest de IsraŽlische burgerbeschaving voor de toekomst, alleen maar om politieke redenen. Het is jammer.

Ik herinner mij luitenant Hartzel die zijn soldaten leerde vloeken en geweld tegen mij als journalist te gebruiken, zelfs in mijn eigen flat. Ik ben er zeker van dat de legercommandanten, kolonel Weinburg en kolonel Cohen, genieten van mijn lijden tengevolge van de stationering van soldaten boven op mijn dak. Vernederingen door soldaten wordt gesteund door deze beide commandanten.

Ik walg van dit beleid en het slechte gedrag van mijn buren van de IDF en de kolonisten. Luitenant Hartzel is een goede buurman voor mijn familie in Haifa, maar hij is een slechte buurman als zijnde mijn vijand in Hebron.

 

Gisteren, 11 oktober, kwam mijn vriend Desmond uit Madrid om mij in mijn flat op te zoeken.

Hij walgde van de vuile smeerboel van de urine van de IDF soldaten, die verspreid was in mijn flat.

Hij zei "Het is een verschrikkelijke toestand, Kawther". Hij vroeg zich af hoe ik kon wonen temidden van de troep zonder water, elektriciteit, telefoon.

Hij zei: "Je zou beter de nacht kunnen doorbrengen in het hotel".

 

Ik ben uit mijn flat weggegaan met mijn vriend Desmond om 3.00 uur 's-middags. Het was een leuke nacht buiten mijn flat.

Vandaag, 12 oktober, kwam ik in mijn flat terug. Het was half 11 in de ochtend.

Ik probeerde de deur open te doen.

De deur wilde niet opengaan. Iemand was de flat binnengegaan en blokkeerde de deur van binnen uit, waardoor mij opnieuw de toegang tot mijn flat werd geweigerd. Er zaten vijf soldaten voor mijn flat die naar mij keken, glimlachend en blij. Ik negeerde hen. 

Ik vroeg een oude Palestijnse man om mij te komen helpen. Hij kwam met metalen gereedschap. Het kostte hem 15 minuten voordat hij de deur kon openen.

De soldaten bleven toekijken hoe de man de deur opende.

 

Ik ging mijn flat binnen. Er was een hoop nieuwe rotzooi door de soldaten neergegooid.

I denk dat het een lawaaierige nacht was geweest. Zwarte verf uit spuitbussen was over de vloer gespoten. Een hoop brood en andere troep was er ook rondgestrooid. Ik bleef er een paar uur, toen kreeg ik een telefoontje van een journalist uit de Verenigde Staten. Hij vroeg mij om verdere informatie over mijn zaak en de toestand in Hebron.

Hij zei dat hij er ernstig aan dacht om mijn dagelijkse dagboekverslag op het internet te lezen. Hij zei dat het zou worden verspreid in de krant in de Verenigde Staten.




Zaterdag 13 oktober 2001
Het is mijn lot om een Palestijnse te zijn, een journalist en een vrouw, wonend in een huis dat door het IsraŽlische leger bezet is.

Het is al voldoende als je Palestijn bent om schuldig te zijn. Omdat ik ook nog journalist en vrouw ben, verdrievoudigt dat mijn schuld in hun ogen.

Ik woon in de buurt van rabbi Moshe Levinger. Gisteravond om half negen klommen de kolonisten op mijn dak om de soldaten te helpen hun "veiligheidsplichten" uit te oefenen van het gooien van afval en mij te storen. Ze gooiden een heleboel zand en rotzooi, maakten een hoop lawaai, maar ik reageerde er niet op, zelfs niet met ťťn woord.

Mijn nacht wordt te lang en niet zoals andere nachten, Ik tel de momenten totdat de duisternis voorbij is.

Soms tel ik de sterren aan de hemel.

Maar nu heb ik moeilijkheden met de kolonisten en de soldaten, die door de regering op mijn dak zijn gebracht. 

Ik ken nu kolonel Amnon Cohen. Hij is de president van de burgerlijke administratie in Hebron.

Hij haat mij vanwege iets dat ik over een van zijn officieren heb geschreven.

Maar Cohen zou zich moeten verdelen tussen zijn woede over wat ik geschreven heb, en mijn vreselijke situatie in mijn flat.. Zijn woordvoerder, Peter Lerner, betrok zijn officier Chevie erbij om mijn flat te komen bezoeken, en mijn watertanks te repareren die waren beschadigd door het leger sinds 1 september 2001.

Chevie kwam. Hij zag al de beschadigingen, maar hij deed helemaal niets omdat Cohen zei dat hij niets meer wilde horen over "dat mens".

Waarom, om welke reden, zou ik moeten lijden onder het lawaai dat gemaakt wordt door de soldaten en de kolonisten?

Als er ook maar iemand het verdient om te wonen temidden van het afval,  de urine en zonder water, dan zijn het wel de leiders van de bezetting, en niet ik. 

Ik ben een vredesactiviste die vecht voor mensenrechten, en zij geven mij dagelijks materiaal betreffende de overtredingen van mensenrechten in mijn flat.

Ik probeerde mijn flat te verlaten vandaag om half vijf 's-middags, maar de soldaten gooiden dingen naar mij.

Ik belde het Christian Peacemaker Team {Christelijke Vredestichters team - Vert.} om naar mijn flat te komen om mij te helpen.

Ze kwamen erg vlug en ze hoorden ook het lawaai van de soldaten. Ik probeerde met mijn bagage met hen naar buiten te gaan, maar een lid van het CPT zei dat er kolonisten en soldaten buiten mijn flat waren.

Ik deed de deur dicht en keek door een scheur. Ik identificeerde de kolonistenvrouwen. Altijd gooien zij stenen naar mij.

Daarom belde ik liever de politie, en vroeg of ze zouden komen naar de voorkant van mijn flat totdat wij eruit zouden zijn.

Ze kwamen in enkele minuten. We gingen naar buiten.

Ik verlaat deze flat voor meerdere dagen.

Als ik terugga, zal Nazeeha Abu Daoud - wier man gedood werd door het leger op het dak - terugkomen en met mij in haar flat wonen.

 

 

 

 


Dinsdag 16 oktober 2001
Mijn advocaat overhandigde mij een kopie van het antwoord van Eliakem Robenstain - de juridische adviseur van de regering - betreffende mijn situatie met de IDF-soldaten.

In zijn korte brief merkte hij op dat hij mijn klacht zou overbrengen aan de militaire procureur-generaal.
Ik vermoed dat de militaire procureur generaal mijn klacht zal overbrengen aan de militaire commandant van Hebron die het zal overbrengen aan de commandant van de soldaten (Herzel) die mij gewoonlijk treiterde, en die zal zeggen dat ik een uitlokster ben die voor zijn soldaten (in mijn huis) minirokken en avondkleding draagt.

 

 



Woensdag 17 oktober 2001
Ik kreeg het nieuws van de moord op de IsraŽlische minister Rehavam Zeevi.

Het was een slecht nieuwsbericht zoals alle andere slechte nieuwsberichten die ik kreeg over het vermoorden van Palestijnen.

Wij beiden, Palestijnen en IsraŽliŽrs, leven in een groot "drama" van het dagelijkse doden in een nauwe en bloederige cirkel van wraak.

Als je kijkt naar deze cirkel zou het moeilijk kunnen zijn om de eerste daden op te sporen die wraak veroorzaakten, die op zijn beurt weer wraak veroorzaakte.....

maar ik begrijp dat bezetting zelf moreel en politiek verkeerd is en het meest verwoestende geweld en terreur is de bezetting. Het verzet van "geweldloze" Intifada is Gerechtvaardigd.

Maar het doden van onschuldige IsraŽliŽrs zou niet geaccepteerd moeten worden in deze strijd.

 

 



Vrijdag 19 oktober 2001
Om 8:30 uur in de ochtend stond ik op en begon een maaltijd klaar te maken nadat ik enkele vrienden had uitgenodigd om bij ons te komen vanavond. Om half 3 in de middag kreeg ik een telefoontje van een Hebronitische vriend die mij vertelde dat de IDF-soldaten in mijn flat hadden ingebroken. Ik vermoed dat de soldaten waren gemachtigd door de militaire commandant Dror Weinberg om mijn flat in te gaan om de rotzooi op te ruimen, de urineflessen bij elkaar te rapen en het zand en de kleur te kiezen van de verf voor de muren van mijn flat?! Misschien had de militaire commandant besloten de waterleidingen te repareren en de kabeltelevisie, die door zijn soldaten vernield waren. Ik hoop dat Weinberg eindelijk het verschil begrepen heeft tussen de aanwezigheid van zijn soldaten bovenop mijn dak om veiligheidsredenen en de overtreding van mensenrechten.


 



20 oktober 2001
6 uur 's-avonds - Ik doe mee met mijn IsraŽlische vrienden van Taayosh - een groep Arabische en joodse mensen die samenwerken - met een herdenkingsavond van het bloedbad dat plaatsvond op 29 oktober in Kfar Kasem.

Het was een gruwelijk bloedbad. Ik keek naar een film die getuigenissen toonde van de overlevenden van de gebeurtenis, Minstens 49 mensen werden gedood, jonge meisjes, vrouwen en jongeren.

Wat mijn aandacht trok was dat de president van de plaatselijke raad in Kfar Kasem, in zijn toespraak meldde dat deze film niet werd vertoond om wraakgevoelens op te wekken maar om mogelijk te maken dat zowel joden als arabieren samen van het verleden leren.

Wat hij zei maakte mij gelukkig en ik zong in de auto op weg naar "Arsof". Om half negen in de avond kwamen we bij Arsof aan. Niemand wordt toegestaan om dit gebied binnen te gaan waar enkele rijke IsraŽlische mensen wonen. De beveiliging controleerden de bezoekers voordat zij het gebied binnengingen.

Mijn vriendin heeft daar een prachtig huis aan het strand en zij heeft een charmant kind dat "Elay" heette. Ik hou van mijn IsraŽlische vrienden en genoot echt van de tijd die we samen doorbrachten. We hebben dezelfde dromen "alleen maar vrede en liefde". Maar....

Na een paar dagen in IsraŽl met mijn goede vrienden, de zee en het plezier, voel ik dat ik "MIJN SOLDATEN" mis, die mij altijd herinnerden aan mijn plicht om te verkondigen hoe slecht de bezetting is.





23 oktober 2001
Dit is de 10de dag sinds ik wegvluchtte van de IDF herrie die op mijn dak van mijn flat in Hebron gemaakt werd.

Ik kan die dag niet vergeten, 4 oktober 2001 toen ik werd opgehouden op mijn balkon, ik gaf stille bedankjes voor mijn vreselijke leven als ik dat  vergeleek met de levens van andere mensen met veel ernstiger problemen in Hebron.

"Sharmota", ("Strand") - de stem van de IDF soldaten op mijn dak onderbrak mijn gedachten. Ik moet geduldig zijn, deze verbazingwekkende, ongelofelijke scŤne het hoofd bieden en de duidelijk kinderachtige gevoelens overdenken die begraven liggen binnen in het bewustzijn van deze soldaten die steun krijgen van hun commandant.

Altijd zie ik het gezicht van kolonel Dror Weinberg in de gezichten van de soldaten op mijn dak.

Dezelfde IsraŽlische commandant die deze soldaten heeft bevolen om bovenop mijn dak te staan uit naam van "veiligheid" maar slechts wordt gebruikt als een pion in een veel groter spel, beveelt hen om mij te treiteren als wraak voor mijn plichten als militair en politiek journaliste.

Deze soldaten en deze commandant zijn niet verantwoordelijk om in veiligheidsdienst te zijn.

Het zijn kinderen die niet beter weten en zodoende worden gedwongen om diegenen, die ze voelen onder controle te hebben, te vernederen.

En daden zoals mij seksueel uit te schelden laat duidelijk de ziekelijke natuur van de bezetting zien en de diepe psychologische spanningen daarin.

Onder de hel, vervaardigd in IsraŽl, in mijn dagelijks leven en als ik walg van de gedragingen van de IDF-soldaten, voel ik mij ook zegevierend en machtig met mijn IsraŽlische vrienden. Vele vrienden.

Ik houd van Romi, het jonge kind waarmee in samenwoon in haar huis. Ze ziet eruit alsof ze echt een kind van mij is. Menselijke gevoelens doen altijd de grenzen vervagen tussen mensen. Ik voel dat Romi mijn lerares in Hebreeuwse taal zal worden in de toekomst en ik zal ook haar lerares in Arabische taal zijn. Terwijl ik dit Dagboek schreef, gaf de eigenares van mijn flat in Hebron mij de informatie dat ze terugkwam uit JordaniŽ. Ik adviseerde haar om rustig te blijven en voorzichtig te zijn met de soldaten op het dak van haar huis.

Misschien zou ik haar moeten gaan opzoeken, ťťn dag voordat ik naar het buitenland vlucht.






28 oktober 2001
Om 1 uur 's-middags ontmoette ik de directeur van het IsraŽlische Regerings Persbureau, Daniel Simon.

Ik gaf hem een kopie van mijn dagboek. Hij ging op Internet en hoorde de stemmen van de IDF op mij schelden.

Hij verontschuldigde zich en zei dat hij een commandant van de IDF was in Zuid-Libanon en dat hij nooit iemand vernederde of een mens strafte waar zijn kind bij was. Zelfs gedurende Ramadan zou hij Moslims respecteren en nooit tegenover hen op straat eten 

Hij was erg onder de indruk van mijn dagboek.

Ik huilde tegenover hem. Hij zei dat hij mijn geval zou volgen, niet omdat ik een journalist was maar omdat hij elke soort seksuele pesterij of vernedering afwijst  tegenover mij als vrouw.

Hij vroeg zich af of ik hem een kopie van de videocassette kon geven die duidelijk toont hoe de IDF herrie maakt bij mij.

Ik beloofde hem er een te geven en heb nu deze cassette voor hem bijna klaar.

In de volgende paar dagen zal ik contact met hem opnemen en hem deze kopie geven.

Tijdens de ontmoeting sprak ik met Simon over het vernieuwen van mijn perskaart.

Hij zei dat de regering een besluit had genomen om perskaarten van Palestijnen die voor Palestijnse kranten werken, niet meer te vernieuwen.

Maar hij is bereid de kaarten te vernieuwen van enkele Palestijnen die voor een correspondent in IsraŽl werken.

Hij sprak niet speciaal over mijn perskaart, maar ik begreep dat hij bereid is mijn kaart te verlengen als ik als correspondent in IsraŽl werk voor andere kranten.

Ik zei dat dat een politieke beslissing was, en daarmee was hij het eens.

 







29 oktober 2001
Vandaag om 10 uur in de ochtend kwam ik terug in Hebron om mijn winterkleren op te halen, mijn cassettes, mijn video's, mijn papieren, en om mezelf voor te bereiden om naar het buitenland te reizen volgende week. De soldaten verwelkomden mij toen ik in Hebron terugkwam, door mij voor "heks" uit te schelden in de buurt van de Beit Romano nederzetting. Een van hen spuugde naar mij.

Ik merkte dat de soldaten een Palestijnse man vasthielden. Ze lieten hem staan met zijn handen op de rug en hoofd naar achter gekanteld tegen de muur.

De Palestijnse man zei dat hij daar zo stond gedurende twee uur. Ik vroeg de soldaten waarom hij zijn hoofd zo moest houden.

Een van de soldaten zei dat hij een terrorist was. Hij liep over straat zonder identiteitsbewijs.
De man zwoer dat hij geen terrorist was en dat hij zijn identiteitsbewijs alleen maar had vergeten, en dat hij bereid is alles te doen om het naar de soldaten te brengen.

De officier kwam met nog vijf soldaten. Hij zei tegen mij, "Hoi! Welkom, heks." Ik zei "Hartelijk bedankt. Jullie bewezen mij een dienst door een eind te maken aan mijn ervaring met soldaten in Hebron, en een onderzoeksverslag te schrijven erover in de universiteit van Dublin".

Nu begreep de officier dat ik daar stilstond vanwege de Palestijnse man, en hij gaf zijn soldaten instructies om de man gewoon te laten staan.

Ik liep verder naar mijn flat in de oude stad. De officier en enkele van zijn soldaten volgden mij daar naartoe.

Ik filmde hem en de officier vroeg om te zien wat ik had gefilmd. Ik liet het hem zien.

Hij was erg aardig toen hij met mij praatte en vroeg of hij knap was om te zien of niet. Ik antwoordde, "ja, je bent een knappe man, maar je gedraagt je slecht."

Hij vroeg, "Weet je waarom?".Ik zei, "waarom?" Hij zei "omdat mijn zus gewond werd door een terroristische actie". Ik reageerde, "Nare dingen zijn geen reden voor je om anderen slecht te behandelen.

Ik heb een hoop moeilijkheden met soldaten meegemaakt, maar ik voel er niet voor om me slecht te gedragen tegenover joodse mensen alleen maar daarom".

Hij stelde mij veel vragen: of ik Moslim of Christen ben, over mijn geloof en over het dragen van een minirok in Hebron.

Hij zei, "Kom je terug naar je flat in Hebron?" Ik antwoordde,"ja, voor drie dagen".

Dus kwam een van zijn soldaten prikkeldraad brengen en maakte de voordeur van mijn flat dicht. De officier zei tegen mij "tot ziens", en ze liepen weg.

Mijn flat zit compleet vol met rotzooi. Meer dan tevoren. Maar ik zou geduldig moeten zijn voordat ik uit dit gebied wegga.

Van buitenaf heb ik de gelegenheid om lezingen te vervaardigen en de wereld te laten zien over wat er achter de Intifada gaande is, en wat er niets te maken heeft met terroristische acties of het gooien van stenen.






Dinsdag 30 oktober 2001
Om half negen 's-avonds kreeg ik een telefoontje van de eigenares van mijn flat, Nazeeha Abu Daoud.

Ze vroeg mij of het mogelijk was om bij haar de nacht door te brengen omdat de soldaten begonnen waren haar lastig te vallen.

I probeerde mij te verontschuldigen omdat ik al besloten had om ergens anders te blijven. Om half 10 's-avonds belde ze me opnieuw. Ze zei "je moet heel gauw komen". Ze huilde en schreide. Ik ken Nazeeha Abu Daoud.

Ze is aangetast door een zenuwziekte sinds ze seksueel werd lastiggevallen door een van de IDF-soldaten die haar slaapkamer binnenkwam en zich uitkleedde in 1997. Als ze huilt weet ik dat ze nog steeds lijdt onder deze aandoening en ik besloot op de eerste verdieping te slapen bij Nazeeha.

De soldaten ramden op het dak, riepen naar ons "maniak, sharmoota, rot op!" de hele nacht, en bleven bovenop het dak op deze wijze schreeuwen en rammen en stompen tegen het dak.







Woensdag 31 oktober 2001

Om half 7 's-morgens verliet ik mijn flat om een vriend van mij te bezoeken. Ik liet mijn bagage bij hem achter.

Om 9 uur 's-morgens belde Nazeeha mij opnieuw.

"Je moet meteen komen! De soldaten treiteren mij met seksuele scheldwoorden en mijn buren hebben de politie gebeld".

Ik rende snel naar Nazeeha's en mijn flat. De soldaten schreeuwden naar mij voordat ik flat binnenging. Ik bleef verdergaan, maar een van de soldaten rende mij achterna.

Hij kreeg mij te pakken onderaan de trap en richtte zijn geweer om op mij te schieten. Hij zei: "Je moet teruggaan.

Je mag dit huis niet ingaan!" Hij was erg nerveus en zijn ogen zagen eruit alsof hij wilde schieten.

Ik schreeuwde hard. Ik gebruikte mijn mobiele telefoon om het Christian Peacemaker Team te bellen. De soldaat merkte dat enkele mensen naar buiten kwamen op hun daken om te kijken. Nazeeha kwam ook naar buiten, maar hij schreeuwde naar iedereen om niet op straat te komen. Hij gebruikte zijn mobilofoon en riep de soldaten op het dak op. Hij zei "de heks is terug", en hij riep ook de andere soldaten op. Binnen een ogenblik vond ik mezelf temidden van tien soldaten.

Een ervan schreeuwde naar mij: "Ik heb je website bezocht op het Internet. Ik heb alles gelezen. Je bent 'shermoota'. Maar ik vond op je website niet ťťn foto tegen ons gevonden!". Hij bleef schreeuwen  totdat de officier kwam.

Deze officier is de soldaat die ik gisteren heb ontmoet buiten mijn flat en we hadden samen een lange discussie.

Hij is dezelfde soldaat die mij had gevraagd of ik naar mijn flat terugkwam of niet, en ik zei dat is voor maar 3 dagen terugkwam, en zodoende kwam een van de soldaten prikkeldraad brengen en blokkeerde de ingang van mijn flat.

Deze officier vroeg mij "wat heb je vandaag gefilmd? Heb je gefilmd wat mijn soldaten tegen je zeiden? Laat de camera zien."

Ik zei tegen hem dat ik nog niets gefilmd had. Je soldaten wilden mij doden.

Hij zei "Wat is er gebeurd!?" Ik zei , "vraag het je soldaten! Ik wilde mijn flat binnengaan en het prikkeldraad is omlaaggevallen". "Weet je zeker dat je niets gefilmd hebt?", vroeg hij. "Ja, ik heb niet gefilmd", antwoordde ik.

Ik vertelde hem, "Kijk, ik heb nu een ambulance nodig". Mijn hart begon heel snel te kloppen en in zat op de grond. Hij zei, "okay, ga maar heel vlug naar je flat".

Ik ging mijn flat in. Ik begon te beven. Ik hoorde het CPT {Christian Peacemaker Team - vert.} komen. Ik zat net bij hen, hen te vertellen wat er met mij gebeurd was toen iemand anders op de deur klopte. 

Ik besloot niet de deur open te doen. Ik was bang. De leden van het CPT besloten uit het raam te gaan kijken.

Ik volgde hen. Nazeeha keek ook en zag dat het soldaten waren. Ik zag dat het de officier was die met mij op straat gesproken had en waarvan ik mijn flat mocht binnengaan.

Hij glimlachte en nam zijn soldatenpet. Hij vroeg of ik okay was en hoe ik me nu voelde, en of ik nog een ambulance nodig had of welke hulp dan ook. Hij vroeg mij de deur te openen.

 

Ik maakte de deur voor hem open en we begonnen met elkaar te praten.

Hij vertelde mij vele dingen. Ik gaf hem de schuld van wat er met mij gebeurde is buiten mijn flat omdat hij de soldaat is die het prikkeldraad aan mijn voordeur bevestigd had.

Ik begon te huilen. Hij zei mij dat ik op de grond moest gaan zitten en me ontspannen. Toen begon hij met het CPT te praten.

Hij vertelde hun dat zij niet meer door de voordeur mijn flat mochten binnenkomen. Het was een lange discussie tussen hen.

Ik voelde me meer ontspannen en nodigde hem uit om in mijn flat te komen om te zien en te horen wat de soldaten op het dak aan het doen waren. Hij kwam binnen. We begonnen rustig met elkaar te praten.

Hij zei dat hij ook mijn website op Internet had gezien en vertelde mij dat officier Hertzel dit gebied een week geleden had verlaten tengevolge van mijn klachten tegen hem en de poster die ik aan de muren van mijn flat had opgehangen, die duidelijk de seksuele pesterijen van de soldaten tegen mij, laat zien.
Hij zei "vanwege jou is hij hier weggegaan". Ik antwoordde, "dus omdat jij op mij wraak kan nemen? Ik bestreed Hertzel niet persoonlijk. Ik heb over hem geklaagd teneinde mezelf te beschermen tegen de schendingen van mijn rechten als journalist. De hele tijd gaf hij instructies tegen mij en ik vroeg hem om Hertzel mijn groeten over te brengen".

De officier zei, "Ik ben blij dat je morgen weggaat. Ik zal om zes uur komen om zeker te zijn dat je bent vertrokken. Ik hoop dat je hier niet meer terugkomt". Daarmee vertrok hij.

Vandaag heb ik gemerkt dat de soldaten op straat videocamera's en bandrecorders bij zich hebben.

Ze schreeuwden scheldwoorden naar mij en wachtten op mijn reactie om mijn stem op te nemen.

Ik wil nu eindigen met te zeggen dat ik een e-mail heb ontvangen van Larry Snider, een Amerikaanse jood.

Hij zei dat hij mijn dagboek heeft gestuurd naar de Midden-Oosten Burgerdiplomatie in de Verenigde Staten, en vroeg mij vergeving voor de soldatenpesterijen.

Ik wil zeggen hoe ik me gerustgesteld voelde toen ik deze e-mail las.

Ik weet dat de meeste IsraŽlische burgers goede mensen zijn en zij zijn slachtoffers van deze politieke situatie.

Ik beschuldig nooit IsraŽliŽrs als gevolg van mijn problemen met de IDF-soldaten. Ik woon nu bij een gezin in Tel Aviv, en ik voel me als een deel van het gezin.

Zelfs de soldaten die mij treiterden vergeef ik altijd omdat ik geen enkele reden heb om andere mensen te haten.

Mijn vader leerde mij vergevingsgezindheid zover als ik kon, en hij gaf mij de naam Salaam, "vrede", en Kawther, "zuiver water".





naar November 2001                                        Terug