De Hel, Vervaardigd in IsraŽl
Kawther Salam's Dagboek

November 2001
Donderdag 1 november
Vrijdag 2 november













Donderdag 1 november 2001

Vandaag ga ik uit mijn flat. Ik ga uit de hel, Vervaardigd in IsraŽl, in de stad Hebron.

Ik loop weg voor de dood. Ik ben niet klaar om te sterven, of te doden of wraak te nemen.

Ik ben bereid om vrede te stichten en om een journalist te zijn. De IDF-soldaten zijn beroepsmoordenaars.

De regering heeft hen hiervoor klaargemaakt, om een bezetter op de West Bank {letterlijk: Westoever. Bedoeld wordt het vrij grote bezette Palestijnse gebied rond de Westoever van de Jordaan, en dat in het oosten door de rivier Jordaan wordt begrensd - Vert.}. Hoe lang zal ik nog doorgaan met het lijden dat al de IDF-soldaten mij hebben aangedaan als journalist en als vrouw?

Hoe lang zal ik doorgaan met de les te lezen en te praten over mijn  slechte ervaringen met deze soldaten?

Ik weet niet of het mogelijk is voor mij in de toekomst om te vergeten wat er met mij is gebeurd.

De pijn, het lijden, verwondingen, gevangenhoudingen, kapotte camera's, seksuele pesterijen.

Wat een aardige soldaten zijn het! Ik heb dagelijks nachtmerries over wat de soldaten mij hebben aangedaan.

Misschien zullen sommige lezers van mijn dagboek hebben gedacht dat mijn verhalen ongeloofwaardig zijn, dat ik ze zelf verzonnen heb.

Maar iedereen die ook maar een paar dagen in de bezette gebieden is geweest en met de soldaten te maken heeft gehad, weet dat ik de waarheid spreek en eerlijk in mijn dagboek schrijf.

 

Op dit moment zijn  de soldaten heel kwaad op mij. Nadat hun officier, luitenant Herzel Hebron heeft verlaten, geven ze mij er de schuld van dat hij overgeplaatst is en houden ze er mij verantwoordelijk voor, vanwege mijn kritische signalen en verslagen tegen hem die ik geschreven heb.

Uiteindelijk besloot kolonel Weinberg om luitenant Hertzel over te plaatsen, maar hij liet zijn aardige soldaten in Hebron op deze weg verdergaan, mij te treiteren en de overplaatsing van hun officier te wreken. 

Wat een aardige commandant is kol. Dror Weinberg!

Hij zorgt voor de onschuldige burgers van Hebron onder zijn gezag.

Hij zorgt ervoor hun leven comfortabel te maken, veilig, en als een klein paradijsje terwijl ik in mijn flat woon met zijn soldaten.

Geen elektriciteit, geen water, geen TV. Geen telefoon. Middenin de rotzooi en lege Coca-Cola flessen vol met IDF-geproduceerde urine.

Hij liet beide ingangen van mijn flat blokkeren. Misschien heeft Weinberg wel besloten om mij een helikopter te sturen op mij van mijn flat op te halen of terug te brengen.

Hij weet hoeveel vrome kolonisten bij mij in de buurt wonen. Altijd vallen die mij aan.

Dus besloot hij een keer de weg naar mijn huis te blokkeren, om me van mijn  plek naar een andere over te brengen.

Hij slaagde daarin. Maar tegelijkertijd verleende hij mij een gunst: de gelegenheid om naar het buitenland te gaan en mijn ervaringen met deze soldaten te beschrijven aan de universiteit van Dublin. Echt, ik zou hem moeten bedanken voor deze gelegenheid en vergeven wat mij bij zijn soldaten is gebeurd.

Ik zou ook officier Herzel moeten verontschuldigen, omdat hij Hebron al heeft verlaten.

En hopen dat de bezetting gestopt zal worden en heel gauw van de West Bank zal worden weggenomen.

 

Ik zou graag vrede willen, leven voor iedereen in dit gebied, inclusief mijn aardige soldaten die mij pestten en psychische pijn bij mij veroorzaakten.

Deze schattige soldaten zouden moeten teruggaan naar hun gezinnen en hun levens leven; ze zouden ervan moeten genieten in plaats van te schieten en mensen te doden in de bezette gebieden.

Want niemand verdient het voortdurende doden van elkaar. We hebben genoeg land om te leven voor iedereen.

Onze echte vijanden zijn kanker, vervuiling, kernwapens, aardbevingen; dit zijn onze werkelijke vijanden en de regering zou dat moeten begrijpen.

Palestijnen en IsraŽliŽrs zullen ťťn toekomst hebben in dit gebied, en ze zouden buren moeten zijn.

De regering zou de situatie hierop moeten voorbereiden en niet op oorlog, haat en wraak.

Ze zouden de oorlog moeten beŽindigen en stoppen met ons bloed te gebruiken voor propaganda en politieke redenen. Het is genoeg.

Dit zijn mijn woorden voor beiden, IsraŽliŽrs en Palestijnen. Dit is mijn verzoek.

Genoeg is genoeg. Deze oorlog zou zo gauw mogelijk moeten stoppen. Ik ga heel binnenkort uit dit gebied weg.

En ik hoop dat de bezetting van de West Bank ook snel zal verdwijnen.





Vrijdag 2 november 2001
Ik weet niet of ik mijn gevoelens kan uitdrukken over wat er tussen mij en de IDF-soldaten is gebeurd gedurende de laatste ogenblikken voor ik uit Hebron wegging.

Soms is het moeilijk voor iedereen om zich diep in zichzelf te begeven en te praten over de vermeden en verborgen gebieden in zijn hart.

Misschien is het gemakkelijk voor ons om iets innerlijks toe te geven voor onszelf, dan erover te praten tegenover anderen.

Speciaal als het gaat om een Palestijnse vrouw en de IsraŽlische soldaten.

Het was rond twaalf uur 's-middags toen ik mijn tocht door Hebron klaar had. Ik had al afscheid genomen van de kinderen en de Hebronitische mensen.

Ik was nog bij mijn flat op weg om Hebron te verlaten toen de soldaten, die gestationeerd waren in de militaire post "4-5" mij beleefd vroegen om stil te staan.

Ik vroeg hen wat er aan de hand was en een van de soldaten zei: "wacht alsjeblieft een moment, de officier wil je zien" en een van de soldaten begon te praten over de mobilofoon met zijn officieren.

Ik liep een paar meter en ik stond stil voor mijn flat achter de geblokkeerde voordeur met het prikkeldraad.

Ik keek naar de vredes-slagzinnetjes die ik had achtergelaten en de twee vlaggen, een IsraŽlische en een Palestijnse.

Ik draaide mijn gezicht om, om te zien dat het de officier was die mij bezocht in mijn flat op 31 oktober.

Hij kwam met andere soldaten. Hij zag er anders uit dan tevoren. Hij glimlachte als een kind. Ik probeerde mijn gezicht naar de andere kant te draaien. Maar de officier liep naar mij toe.

Hij kwam om mij vaarwel te zeggen. Hij besloot om zich met mij te verzoenen voor ik wegging.

We praatten samen over leuke dingen die niemand interesseert om te weten.

We praatten als vrienden. Andere soldaten om ons heen waren erg rustig.

Het was een verbazingwekkende ontmoeting. Dezelfde soldaten die gewoonlijk mij treiterden in mijn flat en op straat, kwamen mij "L'hitrot" (vaarwel) zeggen. Er was een droevige uitdrukking op hun gezichten. Zelfs op het gezicht van de officier die mij de dag tevoren had gezegd dat hij erg blij zou zijn als ik Hebron zal  verlaten.

Ik vroeg mezelf af wat er was gebeurd. Hij was droevig en niet gelukkig. Ik besloot deze ontmoeting van liefde en haat, aantrekking en afwijzing, af te kappen. Ik ging weg.

De officier was verward en hij bleef op dezelfde plaats staan tot ik wegging.

Ik ging weg uit Hebron terwijl de laatste scŤnes van Hebron mij bleven vergezellen gedurende mijn reis naar Tel Aviv.

Ik begreep dat we mensen zijn die liefde nodig hebben in plaats van haat en bezetting.









naar Maart 2002                                        Terug