De Hel, Vervaardigd in IsraŽl
Het dagboek van Kawther Salam

Maart 2002
Maandag 4 maart  Laatste dagen in Dublin
Dinsdag 12 maart
Vrijdag 15 maart
Dinsdag 19 maart
Woensdag 20 maart
Vrijdag 22 maart
Zaterdag 23 maart Een brief aan Mej. Mary Robinson
Zondag 24 maart
Donderdag 28 maart











Maandag 4 maart
Op 4 maart 2002 kwam ik aan op het vliegveld Ben Gurion.

Het was kwart voor 7 in de avond. Ik heb een prachtige tijd gehad in Ierland. Het is voldoende om te voelen dat je een mens bent om van het leven te genieten, maar als je leeft onder bezetting voel je zo'n teleurstelling.

Ik was mijn leven aan het overdenken toen de stewardess vroeg wat ik het liefste wilde drinken "Wodka" of "Wijn"?

Ik besloot om dronken te worden, waarom niet? "Dit is de enige manier om te stoppen met denken over wat er met mij zal gaan gebeuren op de luchthaven", zei ik tegen mezelf. Ik zei "Een glas wodka, alstublieft". Ik vroeg haar ook om mij een grote fles wijn te verkopen.

Ik ondervond een hoop problemen met de beveiliging op het vliegveld Ben Gurion. Ze namen me mee naar een speciale vuile kamer, vol met rotzooi. Ze bevolen mij in een kleine "cel" te gaan, en begonnen mij lichamelijk aan te randen. Ik schreeuwde naar hen toen ze mij pijn deden.

Alle mannen en vrouwen van de beveiliging kwamen op mijn geschreeuw af. Ik viel op de grond. Ik was compleet toegetakeld. De beveiligingsvrouwen begonnen mij te bedreigen en zeiden dat ik moest opstaan of ze zouden de politie bellen om mij te arresteren. Eťn van hen hielp mij op te staan terwijl de anderen weer begonnen mij lijfelijk aan te vallen.

 

Ik ging de "cel" uit en bleef stilstaan midden in de beveiliging. Ik was verward. Ik vroeg hen, "Hoe lang willen jullie blijven leven in deze abnormale situatie? Als jullie bang zijn over wat jullie mijn volk aandoen, stop dan alsjeblieft de bezetting>"

De beveiliging was verbijsterd. Ze keken naar mij. Een van hen bleef mij dreigen dat ze de politie zouden bellen. Ik zei "Kan me niet schelen. Hou alsjeblieft op en zeg wat jullie willen". Ik deed mijn tas open die was overdekt met het teken van de Internationale Verklaring van de Rechten van de Mens. Ik bood aan het aan de beveiligingsofficier te geven als een geschenk en het in de luchthaven op te hangen.

Misschien zal het hun helpen om te begrijpen dat ze te maken hebben met mensen. De officier was beleefd.

Hij zweeg. Toen begon hij tegen mij te praten.

Ik vertelde hem dat ik niet tegen een veiligheidscontrole ben, maar ik ben niet blij met de manier waarop ze mij behandelen, omdat ik niet onder arrest of detentie ben. Ik kwam op de luchthaven aan op een wettig geoorloofde manier, en alle nationaliteiten moeten gerespecteerd worden in de luchthaven.

Ik vroeg mijn tassen te laten onderzoeken alleen door vrouwen van de beveiliging. De officier gaf zijn instructies. Alle mannen gingen weg en de vrouwen begonnen mijn spullen te onderzoeken. 

Het kostte hen vier uur terwijl ik het meeste van de tijd praatte met de officier. Hij luisterde zorgvuldig en met respect naar mij.

Ik vertelde hem waarom ik besloot om dronken op het vliegveld aan te komen. Omdat ik niet dol ben op alcohol en nog nooit eerder dronken was geweest. De officier zei dat er niets tegen mij was en hij schudde mij de hand en verontschuldigde zich met respect.







Dinsdag 12 maart 2002

Daarna bracht ik een paar dagen met mijn IsraŽlische vriend door in Tel Aviv.
Ik besloot om naar mijn werk en huis in Hebron terug te gaan, maar de IsraŽlische soldaten zouden mij niet toestaan mijn huis binnen te gaan.

De stad was sinds een paar weken onder een uitgaansverbod.

Gedurende 325 dagen hebben de Palestijnse mensen onder een uitgaansverbod geleefd sinds het begin van de Intifada.

Ik probeerde mijn huis te bereiken door gebruik te maken van wegen van de oude markt. Ik ging mijn huis binnen dat vol lag met rotzooi.

Het is een verschrikkelijke situatie. Alles in mijn huis was kapot.

Ik ging mijn huis uit om bij vrienden te wonen totdat de internationale waarnemer zou komen en bij mij in mijn huis zou verblijven.





Vrijdag 15 maart 2002

Het was half ťťn in de middag toen de IsraŽlische officier mijn internationale perskaart op straat gooide en mij beval om op te houden met filmen of hij zou op mij schieten.

Hij zei dat ik niet mijn beroep als journalist mocht uitoefenen als ik geen IsraŽlische "GPO"-perskaart droeg.

De IsraŽlische regering weigerde om politieke redenen perskaarten te vernieuwen voor Palestijnse journalisten, maar mijn perskaart hebben ze nog niet geweigerd te vernieuwen.

Ik heb het formulier om mijn kaart te vernieuwen twee weken geleden ingevuld. Ze zeiden dat ze het zouden opsturen voor een veiligheidscontrole. Ze zijn niet meer bij mij teruggekomen.

Misschien hebben ze meer tijd nodig zo dat ťťn van de IsraŽlische soldaten op mij zal schieten en de IDF-woordvoerder kan zeggen dat hij mij niet als journalist kon identificeren?!








Dinsdag 19 maart 2002

Vandaag overtrad ik het uitgaansverbod en de IsraŽlische bevelen om niet mijn beroep als journalist uit te oefenen.

Ik knipte het prikkeldraad open in Al-shallaleh Straat en ik liep door terwijl een van de soldaten zich klaarmaakte om te schieten. Hij schreeuwde en vroeg mij stil te staan waar ik was. 

Ik stond stil en ik zei hem dat ik geen terrorist ben. Ik ben journaliste.

In de oude markt, terwijl ik er liep met mijn IsraŽlische vriend, richtte ťťn van de soldaten, die zich in de hoek verborgen hield, zijn geweer op ons. Zijn vinger was klaar om de trekker over te halen. Hij schreeuwde en we stonden stil, we waren bang, maar we liepen verder.

We wilden geen discussie met de soldaat.


 





20 maart 2002

Ik heb een zware hoofdpijn ten gevolge van wat er was gebeurd gedurende mijn rondreis vanwege mijn beroep in het gebied H2 onder militaire bezetting.

Om 11:30 uur stak ik de Al-Shallalleh Al Jadeed Straat over op weg naar de oude stad, toen twee IsraŽlische soldaten dat merkten en mij in de straat volgden.

Ik stond even stil en de officier zei tegen mij, "je moet naar het Palestijnse gebied lopen om bij de Oude Shallaleh Straat te komen!!"

Ik zei "Ik moet dan een kilometer lopen inplaats van drie meter, dat is niet logisch"!!

Het IsraŽlische leger had Al Shallaleh Straat achter de Beit Hadasah-nederzetting geblokkeerd gedurende twee maanden, en meer dan 100 winkels gesloten in deze straat. De Palestijnen mogen niet over de Al Shuhada Straat lopen  vůůr de nederzetting,en ook niet achter de nederzetting!

De oude Shallaleh Straat achter de Al-Shallaleh Al-Jadeed Straat wordt geblokkeerd met prikkeldraad en ook door het leger.

Alle wegen naar het H2-gebied werden door het leger geblokkeerd.

De huizen van de Palestijnen werden "GeÔsoleerde Cellen" door deze verdeling. Ze hebben 325 dagen onder een uitgaansverbod geleefd. Het is erg gevaarlijk voor iemand om in de oude stad rond te lopen. 

Het is heel gevaarlijk om over het militaire prikkeldraad te stappen. De soldaten zijn steeds klaar om te schieten.

Ik ging verder met mijn rondreis.

Het is de "Hel vervaardigd in IsraŽl". De straten stonken. De vieze stank was ook te ruiken in de oude markt.

Grote ratten en katten lopen over de markt en de weg die ik loop. De kinderen riepen naar mij vanuit de ramen met droevige indrukken.

Het is een ondragelijke situatie.

 

Zes soldaten, vier mannen en twee vrouwen, liepen op de markt, voorafgegaan door een wilde hond.

Ik hoorde hen schreeuwen en de kinderen bevelen om op te houden met door de ramen te kijken.

Ze zeiden, "Doe de ramen dicht, het is uitgaansverbod". De soldaten hoorden mijn voetstappen en maakten zich klaar om hun militaire plichten uit te oefenen. Hun vingers klemden zich vast, klaar om te schieten! De officier zag wie ik was. Hij zei, "Jij was in Londen, waarom ben je teruggekomen?"

Een van de vrouwen zei "MAKHASHEFAH!", dat betekent "Heks". Allen begonnen hard te lachen. Ik zei, "Ja liefje, hoe maak je het? Ik heb je echt gemist!!"

De soldaten gingen verder met hun gepraat en ik liep door.

Bij de ingang van de markt, vlakbij de Beit Romane Yeshiva-school waren 10 soldaten in een tunnel aan het inbreken om een acht jaar oud kind achterna te zitten.

Toen ik een paar foto's nam vroegen de soldaten mij, "Wie ben jij?" Ik zei, "Ik ben een journaliste". Ze vroegen, "Wat doe je hier?"

Ik zei "Ik neem een paar documentaire foto's van 'vreedzame soldaten' ".

Ik sprak met de soldaten toen een harde stem ons onderbrak. Ik draaide mijn gezicht om en herkende de officier die mij dreigde dood te schieten op vrijdag 15 maart 2002.

Hij zei "Wat doe je hier?"

Ik zei, "Ik film je 'aardige' soldaten".

Hij zei, "Laat je identiteitsbewijs zien"

Ik deed mijn tas open om mijn identiteitsbewijs eruit te halen maar de soldaat voor mij hield mij tegen en zei, "Je bent mooi". 

Ik antwoordde, "Wat zei je?"

Hij herhaalde tegen mij, :Je bent mooi".

Ik zei, "Jij ook. Dank je wel. Hier is mijn identiteitsbewijs".

 

De officier zei, "Je bent goed gekleed". Hij kwam enkele stappen dichter naar mij toe. Ik vroeg hem of wat hij zei, deel uitmaakt van zijn veiligheidswerk of niet en ik deed een paar stappen weg van hem.

Hij vroeg mij, "Waarom loop je weg van mij?"

Hij ging vlak voor mijn gezicht staan en zei, "Ik hou er erg van met je te praten. Blijf alsjeblieft bij mij en praat nog vijf minuten."

Ik was kwaad. Ik zei hem, "Je dreigde mij te vermoorden, afgelopen vrijdag!"

De soldaat zei, "Nee, ik maakte alleen maar een grapje. Ik vind het heerlijk met je te praten. Ik wil vrede, net als jij. Ik wil met mijn gezin in vrede leven.

 

Deze officier, die eruit zag of hij minstens 22 jaar oud was, begon mij privť-vragen te stellen.

Ik vertelde hem dat we niet in de kroeg zitten te drinken.

We zijn in Hebron en ik moet gaan. Ik herinnerde hem eraan dat zijn commandant hem zal straffen als hij ervan hoort dat hij met mij praatte.

 









22 maart 2002

Ik woon nog bij vrienden in Hebron in gebied H2 tengevolge van de IDF die het dak van mijn huis  bezet hebben en de beperking die aan mijn bewegingsvrijheid is opgedrongen. De soldaat vroeg mij "laat mij je perskaart zien??"

Hij zei "Internationale perskaart, walgelijk!", en toen vroeg hij mij "Hoeveel slechte verslaggevers hebben we in IsraŽl?"

Ik zei "geen, en ik denk dat je mij geen stomme vragen mag stellen".

De soldaat zei "maar jij bent erg slecht, Laat de Wereld verrekken" en hij scheurde mijn perskaart in twee stukken en gooide ze op de straat.

De andere soldaat die erbij stond schreeuwde "Nee!" naar degene die de kaart kapot scheurde en raapte de perskaart van de straat op.

De twee soldaten begonnen met elkaar te vechten, ik hoorde hen lelijke vloeken zeggen zoals "Koss Immak Shelkah" dat "Smerige Klootzak" betekent {letterlijk betekenen deze Hebreeuwse woorden: "hij die zijn moeder neukt die een hoer is!", deelde Kawther mij desgevraagd mee - in het Engels "Mother Fucker", in het Nederlands is er echter geen equivalente vertaling voor  - Vert.}. Ik keek een poosje naar hen en probeerde de politie te bellen.

De soldaat liep daarvandaan naar mij toe en zei "Sorry maar ik bedoelde het niet zo" en vroeg mij dan om niet een klacht tegen hem in te dienen.

Ik vroeg hem "Waarom scheurde je mijn perskaart kapot?"

De soldaat antwoordde "Ik ken jou niet, maar ik zag dat je foto in ons kamp hing, mijn officier zei dat je terugkwam van Londen om lelijke verhalen over de soldaten te schrijven".

Het was heel duidelijk dat de soldaten mij treiterden tengevolge van de instructies van hun commandant.

Een Palestijnse bouwvakker die in de "Beit Romano"-nederzetting werkte had mij verteld dat hij mijn foto zag hangen in het militaire kamp "Al Shuhada" in het kantoor van de commandant, met eronder geschreven "Vijandige Journalist".

 








23 maart 2002. Een brief aan Mej. Mary Robinson
Aan Mej. Mary Robinson

Hoge Commissaris van de Rechten van de Mens.

Geachte Commissaris,

Ik verzoek u om uw hulp om stappen te ondernemen betreffende het zenden van een verslaggever van de Verenigde Naties naar Hebron in de West Bank voor het specifieke doel van het onderzoeken van misbruiken van Journalistieke rechten, begaan door IsraŽlische soldaten en commandanten in de onder IsraŽlische controle staande sectie in Hebron, gewoonlijk bekend als gebied "H2".

 

Nadat de IsraŽlische regering weigerde mijn Palestijnse Journalisten Perskaart te verlengen, werden alle Palestijnse journalisten die in gebied "H2" werken, benadeeld en er is nu een voortdurend intensief vůůrkomen van directe, indirecte en niet-uitgelokte intimidatie gepleegd op Palestijnse journalisten en een zichtbaar gebrek aan lichamelijke en wettelijke bescherming.

Wij verzoeken dringend uw steun voor een onderzoek dat ongetwijfeld zal vinden dat deze misbruiken voorkomen zowel tijdens als buiten de perioden van een collectief uitgaansverbod dat regelmatig en willekeurig wordt opgedrongen aan Hebronitische Palestijnen in het H2-gebied, waar journalisten toegestaan moeten worden om te werken als het recht op vrijheid van meningsuiting instand gehouden moet worden.

Ik heb veel verifieerbare documentatie van de pesterijen van IsraŽlische soldaten tegen journalisten die ik graag aan een dergelijk onderzoek wil aanbieden.

Alle voorgaande inspanningen om het bewust-zijn van deze wangedragingen te bevorderen zijn zonder effect geweest en een officieel onderzoek van de Verenigde Naties kan - of slechts hopen te kunnen - in staat zijn te melden wat er gaande is in Hebron.

 

U bij voorbaat dankend voor uw aandacht.

 

Documentatie van Wangedragingen die ik als journalist heb ervaren
Op 20 maart 2002 vermoordden de  IsraŽlische soldaten de Palestijnse journalist Amjad Bahjat Al-Alami van Beit Ommar, nadat ze een Italiaanse journalist hadden gedood.

 

Op 15 maart 2002 richtte een IsraŽlische officier zijn geweer op mijn gezicht en dreigde mij te zullen doodschieten als ik foto's zou nemen terwijl de soldaten het Palestijnse gebied "H1" binnengingen.

 

Op 22 maart 2002 scheurde een IsraŽlische soldaat mijn Internationale Perskaart kapot en gooide het op de straat. De soldaat zei "Laat de wereld verrekken" en beweerde dat hij en zijn commandant denken dat ik een slechte verslaggeefster ben.

 

Op 22 maart. Vijf soldaten richtten hun geweren op mijn borst en ze vroegen mij om hun mijn perskaart te laten zien, nadat zij mijn tas doorzocht hebben dreigden ze mij dood te schieten als ik in Hebron bleef werken.








24 maart 2002
Het IsraŽlische parlementslid Abou Vilan, die het geval van de verlenging van mijn perskaart volgde, zei dat hij een officiŽle reactie had gekregen door een verzoek in te dienen bij de regering betreffende mijn perskaart. Ze vertelden hem dat ze mijn perskaart niet zullen verlengen, ze beweerden dat ik een campagne tegen IsraŽl had gevoerd doen ik in Ierland was.

In Ierland heb ik geholpen door het organiseren van de conferentie " De Verdedigers van Mensenrechten" die in het kasteel te Dublin gehouden werd van 17 tot 19 januari 2002. De conferentie werd geopend door de premier van Dublin en meer dan 80 landen namen eraan deel.

In Dublin sprak ik voor de "ERT"-radio en het "Trinity College" over de schendingen van mensenrechten gedurende mijn dagelijks leven met de IDF-soldaten in Hebron. Ik was eerlijk in alles wat ik zei.

Ik voerde geen campagne tegen IsraŽl.

De directeur van het IsraŽlische persbureau, dhr. Daniel Seaman, zei "De joodse gemeenschap in Hebron houdt er niet van mij te herkennen!!"

Dus verdiende ik niet om een journalist te zijn!!

De heer Daniel Seaman bedoelde met de joodse gemeenschap in Hebron "de kolonisten". Zoals Baruch Marzel, Noam Fedirman, Mosheh Levinger, en andere extreme kolonisten.

De heer Daniel Seaman gaf mij niet zijn uiteindelijke reactie over het verlengen van mijn perskaart.

Maar hij noemde door ons telefoongesprek dat hij het gezichtspunt van de kolonisten zou betrekken in zijn overweging naar mij als journalist!!!






Donderdag 28 maart 2002
Op 27 maart 2002 reed ik naar Haifa met een IsraŽlische vriend.

Het kostte mij een uur om een ontmoeting te hebben met dhr. Ahmed S'ad, de uitgever van de krant "Al-Ittihad".

Het belangrijkste onderwerp gedurende onze ontmoeting was het verlengen van mijn IsraŽlische Regerings Perskaart, "GPO"

Ik reed erg snel terug vanwege de "Besah".

Het IsraŽlische gezin waarbij ik woonde sinds enkele maanden voordat ik naar Ierland ging, zei "Je zou met ons meedoen vandaag met de voorbereiding van "Pesah" en de viering.

 

Het hele gezin schonk mij bijzondere aandacht gedurende de "Pesah".

Ze gaven mij een samenvatting en ze vertaalden de "Torah".

Ze vergaten niet te lachen en  maakten mij aan het lachen toen ze zeiden,  "Wat , denk je, zouden de kolonisten gaan doen als ze over ons zouden weten?

Ze zullen ons vermoorden" en ze lachten hard!!

Het gezin probeerde voortdurend mij blij te maken en mij te laten vergeten dat ik een vluchtelinge men in IsraŽl nadat de IsraŽlische soldaten mij uit mijn huis op straat joegen in Hebron.

 

De volgende dag ging het gezin naar Senay, maar ik bleef liever thuis met Zahave.

Ik heb een hoop dingen te doen. Ik schrijf dagelijks verslagen voor de "Al-Ittihad"-krant in Haifa, en de "Sunday Tribune" in Ierland. Ik beloofde met de familie op een ander uitstapje mee te gaan.

Vandaag, 28 maart, kreeg ik een e-mail van de "Front Line Defenders of the Human Rights" waar ik in Ierland een poosje gewerkt heb.

Juffrouw Mary Lawlor, het hoofd van deze organisatie, vertelde mij dat ze contact had opgenomen met de "Irish Foreign Affairs" {Ministerie van Buitenlandse Zaken van Ierland - vert.} om het geval van de verlenging van mijn GPO-perskaart te volgen. Ze had ook contact gehad met Dhr. Ronan Brady, het lid van de Internationale Vereniging van Journalisten, "NUJ" De Internationale Federatie van Journalisten, IFJ, stuurde mij ook een e-mail, Sarah de Jong zei dat de IFJ mijn boodschap had ontvangen over de IsraŽlische soldaat die mijn internationale perskaart had kapotgesneden en had gezegd "Laat de wereld verrekken". Ze zei "Dat is absoluut schandelijk"!






naar April 2002                                         Terug